Singlespeed Central
DP Singlespeed Forum
Ridder Tweewielers

Wetgeving omtrent de fiets

Voertuigreglement

Hoofdstuk 5 afdeling 9 Fietsen

§1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.9.3
Het frame van fietsen mag:
a. niet zodanig zijn vervormd,
b. geen zodanige breuken of scheuren vertonen,
c. niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de stijfheid en sterkte ervan in gevaar worden gebracht.

§2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.9.6
1. Fietsen op twee wielen mogen niet breder zijn dan 0,75 m.
2. Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspan wagen mogen niet breder zijn dan 1,50 m.
§7. Stuurinrichting

Artikel 5.9.29
1. Fietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting.
2. De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3. De voorvork van fietsen mag geen zodanige breuken of scheuren vertonen en niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat vervorming optreedt.

§8. Reminrichting

Artikel 5.9.38
1. Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende rem.
2. Fietsen met uitsluitend velgremmen moeten zijn voorzien van twee goed werkende afzonderlijke remmen, waarmee twee wielen kunnen worden geremd.

Artikel 5.9.39
Van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen moet de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is.

§9. Carrosserie

Artikel 5.9.46
De trappers van fietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van een stroef oppervlak.

Artikel 5.9.48
Fietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.

§10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.9.51
Fietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van:
a. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen;
c. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers.
2. Fietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van:
a. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
b. een naar voren gerichte witte retroreflector indien de fiets breder is dan 0,75 m en is voorzien van één voorwiel;
c. witte of gele retroreflectoren aan de wielen;
d. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers.

Artikel 5.9.52
Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, moeten zijn voorzien van:
a. een niet-driehoekige rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
b een witte of gele retroreflector aan het wiel.

Artikel 5.9.54
1. De rode retroreflector moet zijn aangebracht:

a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel;
b. bij fietsen met twee achterwielen aan de uiterste linkerzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek;
c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m.
2. De in artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b, genoemde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig.
3. De witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van het voertuig zichtbaar zijn.

Artikel 5.9.55
1. De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen niet zijn afgeschermd.
2. De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beinvloeden.
3. De niet-driehoekige rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.

Artikel 5.9.57
1. Fietsen op twee wielen en fietsen op drie wielen met één voorwiel mogen zijn voorzien van een licht aan de voorzijde.
2. Fietsen op meer dan twee wielen met twee voorwielen mogen zijn voorzien van twee lichten aan de voorzijde.
3. Fietsen mogen zijn voorzien van een achterlicht dat is voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.
4. Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.9.51 verplicht is; b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
5. Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector;
b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
6. Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra niet-driehoekige rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.

Artikel 5.9.60
De witte retroreflector op de zijspanwagen moet zijn aangebracht aan de uiterste buitenzijde.

Artikel 5.9.64
1. Fietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting.
2. Fietsen mogen niet zijn voorzien van knipperende verlichting.

Artikel 5.9.65
Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.9.51, 5.9.52 en 5.9.57 is voorgeschreven of toegestaan.

§12. Diversen

Artikel 5.9.71
Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel.

E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens.

Artikel 5.18.28
1. Fietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.
2. Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.

Artikel 5.18.29
Aanhangwagens achter fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.

Artikel 5.18.39
1. Fietsen die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van verlichting overeenkomstig het tweede tot en met het vierde lid.
2. Fietsen op twee wielen en fietsen op drie wielen met één voorwiel moeten zijn voorzien van een licht aan de voorzijde.
3. Fietsen op meer dan twee wielen met twee voorwielen moeten zijn voorzien van twee lichten aan de voorzijde.
4. Fietsen moeten zijn voorzien van een achterlicht dat is voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.

Artikel 5.18.40
1. De in artikel 5.18.39 bedoelde lichten moeten goed werken.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
5. De in artikel 5.18.39 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.41
1. Het licht aan de voorzijde mag niet anders dan wit of geel stralen.
2. Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen.

Artikel 5.18.42
Het achterlicht moet:
a. indien de fiets is voorzien van één achterwiel, in het midden van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek;
b. indien de fiets is voorzien van twee achterwielen of is verbonden met een zijspanwagen, aan de uiterste linkerzijde van de fiets zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

E. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen

Artikel 5.18.46
Aanhangwagens achter fietsen die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van een achterlicht dat is voorzien van een door Onze Minister bekendgemaakt goedkeuringsmerk.

Artikel 5.18.47
1. Het achterlicht moet goed werken.
2. Het verlichtingsarmatuur en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
3. Het glas van het verlichtingsarmatuur mag niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.
4. Het achterlicht mag niet zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.48
Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen.

Artikel 5.18.49
Het achterlicht moet uiterst links aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

§5. Verbinding tussen voertuigen

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen.

Artikel 5.18.54
Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen door een enkele, passende en geschikte koppeling, die niet kan los-trillen, zodanig aan het trekkend voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen zoveel mogelijk wordt voorkomen.

D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen.

Artikel 5.18.59
Een aanhangwagen achter een fiets moet goed met de fiets zijn verbonden.

Comments are closed.

Flickr Photos
Next »
Archives